Les 1: Alfabet en klanken


Oefening 1: het alfabet

Luister naar het alfabet en herhaal het.

Vocalen

Dit zijn de korte vocalen. Luister en herhaal.

Dit zijn de lange vocalen. Luister en herhaal.

Dit zijn de diftongen. Luister en herhaal.

Oefening 2 [a] en [aa]

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze. Let op het verschil tussen [a] en [aa].

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. man – maan
  2. dat – daad
  3. kas – kaas
  4. lag – laag
  5. vlag – vlaag
  6. bal – baal
  7. lat – laat
  8. as – aas
  9. bas – baas
  10. mag – maag

Oefening 3 [e] en [ee]

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze. Let op het verschil tussen [e] en [ee].

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. ver – veer
  2. een – en
  3. les – lees
  4. vel – veel
  5. met – meet
  6. bed – beet
  7. best – beest
  8. her – heer
  9. verre – veren
  10. ben – been

Oefening 4 [i] en [ie]

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze. Let op het verschil tussen [i] en [ie].

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. vis – vies
  2. zin – zien
  3. kil – kiel
  4. wil – wiel
  5. tin – tien
  6. bidden – bieden
  7. lid – lied
  8. slip – sliep
  9. lip – liep
  10. zit – ziet

Oefening 5 [o] en [oo]

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze. Let op het verschil tussen [o] en [oo]. Let op: [oo] klinkt anders voor een [r].

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. bos – boos
  2. dof – doof
  3. grot – groot
  4. hor – hoor
  5. kok – kook
  6. om-oom
  7. rok – rook
  8. rot – rood
  9. stort – stoort
  10. wordt – woord

Oefening 6 [u] en [uu]

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze. Let op het verschil tussen [u] en [uu].

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. cup – kuub
  2. fut – fuut
  3. juli – jullie
  4. stuk – stuc
  5. tut – tuut

Oefening 7 Lange vocalen en diftongen

Doe eerst deze oefening.

Luister nu naar alle woorden en herhaal ze.

Klik hier om alle woorden te zien.
  1. keuken – koken
  2. ruiken – roken
  3. roos – reus
  4. monteur – montuur
  5. boren – buren
  6. horen – huren
  7. deur – door
  8. poes – poos
  9. zout – zuid
  10. buren – boeren

Quiz

Maak nu een quiz om de les af te sluiten.